Begrippen
Het voert te ver voor deze website om een gedetailleerde uitleg van (Y)DNA-onderzoek te geven. Maar omdat wij u vragen om een YDNA-test te laten doen, wat enig geld kost, willen wij u toch een korte uitleg geven van wat zo'n test grofweg inhoudt. De volgende begrippen zijn hiervoor van belang:
1. Twee soorten DNA
Het DNA bevindt zich in onze cellen. Er zijn twee soorten DNA:
a. het 'gewone' DNA in de celkernen
b. het zogenoemde 'mitochondrale' DNA, afgekort mtDNA, buiten de celkern.
Bij DNA-onderzoek (/-testen) wordt in het algemeen een van deze twee soorten 'in kaart gebracht'.
2. Chromosomen
Iedere celkern bevat ook 23 chromosomenparen. Het gewone DNA zit als het ware verdeeld over en vastgeplakt aan de buitenkant van de chromosomen. Iedere chromosoom bevat dus aan de buitenkant een ander 'plukje' (gewoon) DNA.
22 van de 23 chromosomenparen betreffen de zogenoemde autosomale chromosomen, en het 23e paar betreft de zogenoemde hetero- of geslachtschromosomen X en Y. Vrouwen hebben het geslachts-chromosomenpaar XX, mannen hebben XY.
'Gewone DNA'-testen verschillen onderling in de vraag van welk type chromosomen het hierop aanwezige (gewone) DNA in kaart wordt gebracht. Bij mtDNA-testen worden de kenmerken van het mtDNA buiten de celkernen en chromosomen onderzocht.
3. Vererving, celdeling en mutaties
Van ieder chromosomenpaar is 1 chromosoom bij de bevruchting 'geërfd' van de moeder, terwijl het andere chromosoom afkomstig is van de vader. Dat wil niet zeggen dat chromosomen steeds worden doorgegeven en daarom het eeuwige leven hebben. Cellen, en daarmee dus ook hun inhoud inclusief chromosomen, DNA en mtDNA, worden continue vernieuwd door middel van celdeling. Hierbij worden de chromosomen met 'aanhangsel' steeds gekopieerd. Bij dit kopiëren kunnen echter geheel random 'foutjes' optreden, dat wil zeggen mutaties ten opzichte van de oorspronkelijke cel voor de deling. Hierdoor kan een chromosoom, (of beter: het plukje DNA erop) dus veranderen ten opzichte van het chromosoom dat bij de bevruchting was ontvangen van de moeder c.q. vader.
DNA-testen gericht op het vinden van genetische verwantschap zijn dan ook gebaseerd op het tellen van het aantal verschillen in DNA (of mtDNA) van 2 personen. Verschillen hiertussen zijn immers een gevolg van een verschil in het aantal mutaties dat in de loop der tijd bij beiden is opgetreden, ten opzichte van de 'oorspronkelijke' situatie in de cellen van een gemeenschappelijke voorvader, als die er is geweest, dus voor de eerste vererving cq afsplitsing in de stamboom.
4. Markers
Vergelijking van het gewone DNA met dat van een ander persoon is mogelijk door meerdere specifieke 'markers' in het DNA met elkaar te vergelijken. Een marker is een specifiek deel van het gewone DNA dat op een bekende plaats op het chromosoom ligt en dat in principe gelijk zou moeten zijn voor iedereen (tenzij er dus ooit een mutatie is opgetreden). Bij stamboomonderzoek zijn met name twee soorten markers van belang, te weten de 'STR's. (= Short Tandem Repeats) en de 'SNP's (= Single-Nucleotide Polymorphism). STRs hebben te maken met het aantal malen dat een bepaald patroon binnen het DNA op het chromosoom zich herhaalt. Bij een YDNA-test wordt aan zo'n STR een bepaald getal toegekend. Verschilt het getal voor eenzelfde STR bij twee personen, dan is er sprake van een enkelvoudig verschil in het aantal mutaties. SNPs hebben een (code)naam en betreffen daarentegen specifieke soorten mutaties. Inmiddels zijn er enkele honderdduizende (!) SNPs bekend.
5. Genetic Distance (GD)
Uit statistisch onderzoek is bekend hoeveel mutaties er gemiddeld plaatsvinden binnen een gegeven periode. Het bedrijf dat de test uitvoert telt het aantal verschillen met een ander persoon en vertaalt dit in een getal, de 'Genetic Distance' (GD) genoemd. Afhankelijk van het aantal markers dat door het bedrijf is vergeleken, geeft deze GD aan hoeveel jaren minimaal en maximaal geleden de gemeenschappelijke voorouder van de twee personen geleefd zou moeten hebben.
Op de volgende pagina beschrijven wij de drie soorten DNA-testen die inzicht geven in onderlinge verwantschappen.
1. Twee soorten DNA
Het DNA bevindt zich in onze cellen. Er zijn twee soorten DNA:
a. het 'gewone' DNA in de celkernen
b. het zogenoemde 'mitochondrale' DNA, afgekort mtDNA, buiten de celkern.
Bij DNA-onderzoek (/-testen) wordt in het algemeen een van deze twee soorten 'in kaart gebracht'.
2. Chromosomen
Iedere celkern bevat ook 23 chromosomenparen. Het gewone DNA zit als het ware verdeeld over en vastgeplakt aan de buitenkant van de chromosomen. Iedere chromosoom bevat dus aan de buitenkant een ander 'plukje' (gewoon) DNA.
22 van de 23 chromosomenparen betreffen de zogenoemde autosomale chromosomen, en het 23e paar betreft de zogenoemde hetero- of geslachtschromosomen X en Y. Vrouwen hebben het geslachts-chromosomenpaar XX, mannen hebben XY.
'Gewone DNA'-testen verschillen onderling in de vraag van welk type chromosomen het hierop aanwezige (gewone) DNA in kaart wordt gebracht. Bij mtDNA-testen worden de kenmerken van het mtDNA buiten de celkernen en chromosomen onderzocht.
3. Vererving, celdeling en mutaties
Van ieder chromosomenpaar is 1 chromosoom bij de bevruchting 'geërfd' van de moeder, terwijl het andere chromosoom afkomstig is van de vader. Dat wil niet zeggen dat chromosomen steeds worden doorgegeven en daarom het eeuwige leven hebben. Cellen, en daarmee dus ook hun inhoud inclusief chromosomen, DNA en mtDNA, worden continue vernieuwd door middel van celdeling. Hierbij worden de chromosomen met 'aanhangsel' steeds gekopieerd. Bij dit kopiëren kunnen echter geheel random 'foutjes' optreden, dat wil zeggen mutaties ten opzichte van de oorspronkelijke cel voor de deling. Hierdoor kan een chromosoom, (of beter: het plukje DNA erop) dus veranderen ten opzichte van het chromosoom dat bij de bevruchting was ontvangen van de moeder c.q. vader.
DNA-testen gericht op het vinden van genetische verwantschap zijn dan ook gebaseerd op het tellen van het aantal verschillen in DNA (of mtDNA) van 2 personen. Verschillen hiertussen zijn immers een gevolg van een verschil in het aantal mutaties dat in de loop der tijd bij beiden is opgetreden, ten opzichte van de 'oorspronkelijke' situatie in de cellen van een gemeenschappelijke voorvader, als die er is geweest, dus voor de eerste vererving cq afsplitsing in de stamboom.
4. Markers
Vergelijking van het gewone DNA met dat van een ander persoon is mogelijk door meerdere specifieke 'markers' in het DNA met elkaar te vergelijken. Een marker is een specifiek deel van het gewone DNA dat op een bekende plaats op het chromosoom ligt en dat in principe gelijk zou moeten zijn voor iedereen (tenzij er dus ooit een mutatie is opgetreden). Bij stamboomonderzoek zijn met name twee soorten markers van belang, te weten de 'STR's. (= Short Tandem Repeats) en de 'SNP's (= Single-Nucleotide Polymorphism). STRs hebben te maken met het aantal malen dat een bepaald patroon binnen het DNA op het chromosoom zich herhaalt. Bij een YDNA-test wordt aan zo'n STR een bepaald getal toegekend. Verschilt het getal voor eenzelfde STR bij twee personen, dan is er sprake van een enkelvoudig verschil in het aantal mutaties. SNPs hebben een (code)naam en betreffen daarentegen specifieke soorten mutaties. Inmiddels zijn er enkele honderdduizende (!) SNPs bekend.
5. Genetic Distance (GD)
Uit statistisch onderzoek is bekend hoeveel mutaties er gemiddeld plaatsvinden binnen een gegeven periode. Het bedrijf dat de test uitvoert telt het aantal verschillen met een ander persoon en vertaalt dit in een getal, de 'Genetic Distance' (GD) genoemd. Afhankelijk van het aantal markers dat door het bedrijf is vergeleken, geeft deze GD aan hoeveel jaren minimaal en maximaal geleden de gemeenschappelijke voorouder van de twee personen geleefd zou moeten hebben.
Op de volgende pagina beschrijven wij de drie soorten DNA-testen die inzicht geven in onderlinge verwantschappen.